Mag mijn personage een depressie krijgen?
Deze brief aan de lezer sprak ik uit tijdens de boekvoorstelling van Erosie op 26 april 2026 in De Markten, Brussel.
Lieve lezer, beste lezer,
1.
Ik ben een rommelige schrijver.
Mijn werkkamer is een regelrechte puinhoop, mijn muren hangen vol post-its, uitgescheurde krantenknipsels, foto’s, en ook mijn computer bestaat uit een doolhof van mappen, mappen in mappen, en daarin nog meer documenten, en nog, en nog.
Misschien houd ik daarom zo van schrijven: om orde te brengen in de chaos van de wereld, van mijn gedachten, gevoelens; om in die chaos een antwoord te zoeken op de vraag: hoe te leven.
Wanneer ik wil beginnen aan het schrijven van deze tekst open ik de map: roman 2. Die map is gevuld met een reeks afbeeldingen en een lange lijst documenten met titels als: overzicht, experimentje, ideeën, nota’s, allerlei, tijdslijn, toelichting, enzovoort.
Ik klik de map Teksten open, en daarin vind ik de map: definitieve documenten. In die map staat een andere map met de naam definitiefdefinitief, daarin de map definitiefdefinitiefdefinitief, en ja hoor, ook definitiefdefinitiefdefinitiefdefinitief bestaat, met daarin een map: allerlaatste versies. Daarin vind ik het document: Juiste Notities. Juiste Notities werd aangemaakt op 12 februari 2023, en is een document van 80 pagina’s waarin ik al mijn ideeën met betrekking tot deze roman, Erosie, opschreef. Teksten, zinnen, quotes, afbeeldingen, alles kriskras door elkaar. Helaas. Ik ben een rommelige schrijver.
De Duitse auteur Judith Hermann schreef in haar boek Kiezels:
Elk verhaal heeft zijn eerste zin. Niet de zin waarmee de vertelling in het boek begint, maar de zin waarmee het in mijn hoofd begint. Soms een beeld of een moment, een blik op iets.
Wel, die eerste zin, de zin waarmee dit boek begon, de zin waarmee het document Juiste Notities opent, is:
‘Erosie. Waar ik ophoud en de ander begint.’
2.
‘Ik wist niet waar ik ophield en waar de andere begon’ is een gedachte van Helle, het hoofdpersonage uit Erosie. Helle, sinds haar jeugd bevriend met Alma, beleeft de dingen intens: vriendschappen, schilderen, reizen, leven. De vriendschap met Alma is voor haar allesbepalend, het is een vriendschap als een blikseminslag, vriendschap op het eerste gezicht.
Over zo’n vriendschap wilde ik een roman schrijven. Ik wilde tonen hoe belangrijk en bepalend vriendschap kan zijn in een leven, maar ook: hoe lang en diep vriendschapsverdriet, het rouwen bij een vriendschapsbreuk, kan doorwerken. Ik dacht na over het gebrek aan taal om hierover te spreken, de schaamte, het taboe rond dit thema.
Wanneer ik voor het eerst aan mensen vertelde dat ik over vriendschap wilde schrijven, kreeg ik verraste en soms wat meewarige reacties. Ja, je schrijft over vriendschap, en waarover nog?
Gelukkig ben ik niet de enige die nadenkt over de rol van vriendschap in onze samenleving. Ik sprokkelde in het werk van de auteurs Edouard Louis, Geoffroy De Lagasnerie en Didier Eribon. Zij hebben al jaren een innige vriendschap, gedragen door het schrijven. Ze spreken over een ‘ethiek van beschikbaarheid’; ethiek, niet alleen als een theoretisch concept, maar als een voortdurende praktijk. Voor hen is vriendschap een toevlucht, een opening naar anderen, naar de wereld buiten jezelf. De Lagasnerie schrijft: “De wereld verlaten om haar beter opnieuw vorm te geven, haar te buigen, haar te ontregelen: dat zou, in zekere zin, de politieke formule kunnen zijn van vriendschap als gerealiseerde praktische utopie.”
Vriendschap dient hierbij als een vuist tegen de norm, een mogelijkheid om een nieuwe structuur te organiseren, het individuele wordt een collectief wij waarbij vriendschap een laboratorium kan zijn. Vriendschap, zeggen zij, is essentieel om te leven, te denken en te vechten. Ook in Erosie is de vriendschap tussen Helle en Alma niet alleen emotioneel maar ook productief: ze helpen elkaar ruimtes binnen te komen die ze anders door schaamte niet zouden durven binnengaan; ze wisselen artistieke ideeën uit, denken na over het ondermijnen van traditionele maatschappelijke hiërarchiëen.
Op een bepaald moment denkt Helle: “We waren een artistieke twee-eenheid, onze breinen, onze ogen, onze zintuigen waren met elkaar verbonden, onze vriendschap werd onze grootste, onze mooiste karaktereigenschap, en ik was er trots op, ik dacht, misschien was onze band wel het interessantste wat we tot dan toe hadden gemaakt.”
Ook de roman De onafscheidelijken van Simone de Beauvoir inspireerde me: in deze roman doet de Beauvoir verslag over haar intense vriendschapsliefde met ‘Zaza’. In de korte roman schetst ze hoe een diepe vrouwenvriendschap botst met sociale normen, religie, familieverwachtingen en de positie van vrouwen in het begin van de 20e eeuw. Het boek werd initieel geschreven in 1954, maar werd pas gepubliceerd in 2020. De Beauvoir stelt in haar autobiografie dat Jean-Paul Sartre zijn neus ophaalde bij het lezen van het manuscript, omdat het boek volgens hem ‘niet in staat was om lezers lange tijd te interesseren’. Bovendien droeg het volgens hem niet bij aan de klassenstrijd van die tijd.
Gelukkig zijn onze opvattingen over het intieme en het politieke veranderd: ik ben ervan overtuigd dat persoonlijke verhalen vertellen, het invoelbaar maken van onze meest intieme levens net een politiek, maatschappelijk effect kan hebben.
Ook in hedendaagse feministische of activistische literatuur, zoals Abolish the family van Sophie Lewis of Radical Intimacy van Sophie K Rosa, wordt ernstig nagedacht over vriendschap: voor hen zijn deze relaties niet minder diep of betekenisvol dan romantische liefde, kan het een instrument worden in het verzet tegen het individualisme, voeren zij een pleidooi voor zorg en afhankelijkheid, elkaar mogen ‘nodig’ hebben.
‘Vriendschap is niet institutioneel, en daarom zo vrij. Zo echt. Het is de meest waarachtige vorm van liefde,’ zegt Alma op een bepaald moment in de roman.
Voor hechte, levenslange vriendschappen bestaan geen scripts, geen ceremonies. Hoe gaan we om met moeilijkheden? Wat doen we wanneer we uit elkaar groeien? Hoe verdrietig mogen we zijn als we een vriend verliezen? Ook daarvoor bestaat geen taal.
De roman is een poging om deze dynamieken te doorgronden: de dynamiek van een particuliere vriendschap tussen twee meisjes, en het rouwproces die Helle door moet bij het verliezen van haar beste vriendin. Nadat haar lichaam het door druk, stress en verdriet begeeft, trekt Helle zich terug op een Waddeneiland en probeert ze de puzzelstukken samen te leggen, te herinneren hoe hun vriendschapsverhaal ging, te achterhalen waarom het stuk liep. Tegelijk is zij, en dus ik als schrijver, me bewust dat elke poging tot herinnering, tot verslag, bedrieglijk is. Het is het bedrieglijk ordenen van een fictieve werkelijkheid, van beelden en splinters, van dromen*. (*Judith Herman).
3.
Indien je een rommelige schrijver, of een rommelig mens bent, dan is het van belang dat je goed wordt in sprokkelen. Net als ik, houdt Helle van sprokkelen, strandjutten, verzamelen. Op het waddeneiland gaat Helle op zoek naar barnsteen: een steen met helende krachten. Ondertussen verzamelt ze de meest uiteenlopende stenen en schelpen. ’s Avonds schikt ze haar gevonden organisch materiaal, en zo, ook haar gedachten.
De laatste tijd denk ik vaak na over cadans. In mijn lessen Literaire Analyse leer ik mijn studenten wat metrum is: een regelmatig terugkerend klankpatroon in een gebonden versregel. Muziek heeft een soortgelijke geleding. De ritmiek van muziek vindt haar oorsprong in de menselijke motoriek. Overal op de wereld begeleidt en ritmeert gezang de activiteit van de mens: ik denk aan stapliederen, worksongs, ontspanningsliederen zoals wiegeliedjes. Telkens volgen de woorden een bepaalde cadans. Hoewel Erosie als een roman en niet als muziek of poëzie wordt bestempeld, hield ik met het metrum, de cadans, evenveel rekening bij het schrijven. Ik geloof dat ik als auteur, door de cadans van het stappen van Helle doorheen het mul zand op haar sprokkeltochten, haar ritme, richting, en uiteindelijk troost kon bieden.
Zoals ik eerder al zei, was het schrijven van dit boek een zoeken naar taal voor rouw. Mensen denken soms dat schrijvers goed zijn met taal. Daar ben ik het niet mee eens. We zijn goed in het zoeken binnenin de taal, wetende dat die zoektocht altijd zal falen, dat taal altijd ontoereikend zal zijn. In mijn schrijfpraktijk zijn woorden niet alleen betekenisdragers, maar is taal ook materiaal, kneedbaar, uitspreekbaar en dus door de mond te proeven, als klei. In dat spanningsveld heb ik dit boek geschreven, waarbij de letter O plots een klank werd, of een tekening van een gat, of het symbool van een volle, zware steen.
De Franse auteur Roger Caillois heeft zijn leven gewijd aan het bestuderen van stenen. Hij ziet stenen als natuurlijke schriften: lijnen, patronen, figuren die lijken op landschappen, wolken of gezichten. Het is een schrift, zo stelt hij, dat ontstond zonder de mens. Het is geen taal, maar ook niet puur willekeurig. Stenen, zo zegt hij, tonen een soort verborgen orde in de materie. Dit ondermijnt het idee dat alleen mensen vorm en schoonheid kunnen creëren. Maar we zijn wel nodig: de betekenis van deze steen-geschriften ontstaan pas wanneer wij, mensen, kijken. Wij maken het leesbaar. In mijn wereld zijn stenen dan ook niet levenloos: ze hebben hun eigen vormen van ‘agency’, ze hebben invloed op landschappen, geschiedenis, ons denken. Ze hebben hun eigen vorm van ‘diepe’ tijd. Ze trekken ons weg uit het middelpunt van dit universum.
Wanneer ik, bij het begin van het schrijfproces van Erosie, het werk van Caillois ontdekte, op de snijlijn tussen wetenschap, filosofie en poëzie, werd ik tot in het diepste van mijn kern ontroerd. Voor mij gaat zijn werk over het idee dat wij, als mens, kunnen lezen zonder dat er echt een taal is; en dat net daartussen betekenis, verbeelding en schoonheid kan ontstaan. Dat is voor mij een diep troostende gedachte.
En zo wordt niet alleen de verbinding van mens tot mens, van vriendin tot vriendin, een thema in het boek; maar ook de verbinding van de mens met de hele levende wereld rondom, de cadans van de zee, de wind, de troostende kracht van de natuur die ons zonder oordeel of emotie laat zijn.
Sinds wanneer behoort mijn lichaam, mijn leven, tot mezelf? vraagt Helle zich af tijdens een zoveelste wandeling op het eiland.
Waar hou ik op en begint de ander?
Erosie is een proces van trage verandering, aangestuurd door natuurlijke krachten (wind, water) maar ook door menselijke krachten. Het boek opent met het gedicht: “Hoe word je een steen”. Maar later in het boek verlangt Helle naar porositeit, doorlaatbaarheid, vloeibaarheid, transformatie.
*
Tijdens het schrijven hing jarenlang een post-it naast mijn werktafel met daarop enkele vragen: “Mag mijn personage een depressie krijgen?” “Mag mijn personage dromen?” “Mag mijn personage ‘gewoon’ in bed blijven liggen?”
Als schrijfdocent weet ik dat er in de Westerse benadering van storytelling onuitgesproken regels bestaan over wat een ‘goede tekst’, een ‘goed verhaal’ is. Mensen lezen geen dromen, is zo’n regel. Maak je passieve zinnen actief, nog zo’n regel. Geef je personage ‘agency’, laat ze handelen, laat je personage als individu - zoals de spanningsboog van Aristoteles, in onze hoofden en lichamen ingebakken - obstakels overwinnen en tot een catharsis komen.
Dit boek gaat ook over rouw, over uitputting. Als schrijver voelde ik weerstand om van deze uitgeputte vrouw een held te maken, met hoofdletter H. Wat als ik mijn personage minder laat doen, en de levende wereld rondom net meer? Wat als ik niet Aristoteles zijn spanningsboog volg, maar het verhaal à la Ursula Le Guin als een draagtas benader, een container van herinneringen, opgeraapte stenen, met scholeksters en wadlopers die productiever zijn, een zee die luider spreekt dan een mens?
Kunnen wij als lezer om met iemand die neerligt, die rust, die verdrietig is?
In deze hyperactieve tijd voel ik als schrijver en als vrouw een steeds groter verlangen naar het niet-handelen, het niet-worden, naar onleesbaarheid, als daad van verzet en weerstand in een dolgedraaid kapitalistisch systeem. In dit boek gunde ik mijn hoofdpersonage dus haar neerliggen. Haar dromen. Haar falen. Maar kunnen wij als lezer dit ongemak, deze terugtrekking, deze stenige stilstand wel verdragen?
4.
Ook schrijven zelf is een proces van trage verandering. Gelukkig werkt een schrijver nooit alleen. Ook ik heb het geluk dat ik omringd ben door zoveel lieve, slimme, genereuze mensen met wie ik van gedachten kan wisselen, wie ik raad kan vragen, bij wie ik kan zuchten, zeuren, bang zijn en liefhebben. Dank aan iedereen die me heeft geholpen bij het tot stand komen van dit boek.
Enkele maanden geleden, toen het boek echt afgewerkt was, de allerlaatste, definitiefdefinitiefdefinitiefdefinitieve versie, werd ik overvallen door zelftwijfel. Ik sprak met een collega-auteur die tegen me zei: nu is het uit je handen. Nu is het bij de lezer.
Voor mij op de werktafel ligt, na al die jaren, opnieuw een volledig wit blad.
In jullie handen, op jullie schoot, in jullie bedden, op jullie banken, in een hoekje van jullie woonkamer bedolven door de waan van de dag, zal straks misschien dit boek liggen. Ik kan alleen maar hopen dat jullie zullen genieten van Helle’s zoekende, tastende, falende, zingende stem.